Windmolens

De standerdmolen wordt beschouwd als het eerste Europese windmolentype. Maar ook dit type is waarschijnlijk een doorontwikkeling van oudere onbekende molens. De standerdmolen is zeer waarschijnlijk al voor de 11e eeuw ontstaan in Noord-Frankrijk of Engeland. In Nederland is aan het eind van de 12e eeuw (1180) de standerdmolen verschenen, het eerst in Limburg. De oudste nog bestaande standerdmolen in Nederland is de Doesburgermolen.

Aantal geregistreerde Molens in Noord-Brabant

In Noord-Brabant staan nog 121 windmolens, van de volgende types:

  • 18 Standerdmolens,
  • 7 Grondzeilers,
  • 30 Stellingmolens,
  • 3 Wipmolens,
  • 56 Beltmolens,
  • 2 Walmolens.

In Noord Brabant zijn 658 molens geheel verdwenen, van 52 molens zijn nog restanten zichtbaar. Bron; Database van verdwenen molens in Nederland, www.molendatabase.nl)

Molenbiotoop

Een molen staat nooit op een willekeurige plaats in het landschap: er is altijd een goede reden voor. Een poldermolen staat op een plek waar water dient te worden uitgemalen. Dit is veelal langs een boezem, in of bij een polder. Koren- en industriemolens werden gebouwd op plaatsen waar de aanvoermogelijkheden van grondstoffen en de afzetmogelijkheden voor het product gunstig waren. Een watermolen stond op een plaats waar een adequate watertoevoer voor de aandrijving van het waterrad kon worden gegarandeerd. Op diverse manieren is er dan ook een historische wisselwerking tussen een molen en het omringende landschap. Poldermolens zijn in droogmakerijen zelfs onmisbaar geweest voor de schepping ervan. Het project om de molens en het 17e eeuwse landschap in de polder De Schermer te herstellen is hiervan een mooi voorbeeld. Bron: Vereniging De Hollandsche Molen)

Molentypes in Noord-Brabant

Middenkruiers:

  • Open, halfgesloten of gesloten Standerdmolens (windmolen waarvan de kast kan draaien rond een spil (standerd).
  • Wipmolens(doorontwikkeling van de standerdmolen);

Bovenkruiers

    (molen waarvan enkel de kap door kruien (draaien) op de wind wordt gezet.

  • Grondzeilers, ronde of kantige stenen molen.
  • Beltmolens, ronde of kantige stenen (of acht- of zeskante houten) molens, ook wel bergmolens genoemd.
  • Stellingmolens, waaronder stenen ronde, kantige en acht- of zeskantige of zestienkantige houten exemplaren.
  • (De walmolen, een variant van de stellingmolen.)

De werking van een windmolen

Hoeveel typen we ook kunnen onderscheiden, het principe van een windmolen blijft altijd hetzelfde. De energiebron van de windmolen, de wind, wordt gevangen door het wiekenkruis, een samenstel van twee lange balken, roeden genaamd, tegenwoordig meestal van ijzer gemaakt, vroeger altijd van hout. De helft van een roede is een wiek en deze bestaat aan de ene kant uit een samenstel van latten, het hekwerk. Aan de andere kant zitten langslatten en uitneembare windborden. Door de gebogen vorm van het hekwerk (de zeeg) en de langslatten (voor- en achterzoom) vangt het wiekenkruis wind en gaat de molen draaien, uiteraard alleen als er voldoende wind is. De roeden zijn gestoken in de bovenas, die aan voor- en achterzijde gelagerd is in een steen. Om deze as is in de molenkap een groot wiel aangebracht, het bovenwiel, dat voorzien is van houten tanden, kammen genaamd. Om dit bovenwiel ligt een krans van houten blokken die tezamen de rem vormen, de vang, welke door middel van hefboomwerking kan worden bediend. De molenaar licht de vang – de blokken wijken -en de molen kan gaan draaien.

In de molen staat een verticale spil, de koningsspil, welke aan boven- en onderzijde gelagerd is met een ijzeren verticale pen, de taats. De koningsspil heeft aan de bovenzijde een wiel dat met kammen of staven in de kammen van het bovenwiel grijpt, we noemen dit resp. de bovenbonkelaar of bovenschijfloop. Bij korenmolens loopt de koningsspil tot halverwege de molen, de taats ervan zit dan in een grote zware balk, de donsbalk. Even daarboven zit om de koningsspil weer een groot wiel, het spoorwiel, waarmee uiteindelijk de maalstenen aangedreven kunnen worden. Bij poldermolens loopt de koningsspil tot onderin de molen en is daar voorzien van een onderbonkelaar of -schijfloop. Via een ander wiel wordt zo het wateropvoerwerktuig, een scheprad of een vijzel, aangedreven. Het door de wieken aangedreven geheel van assen, wielen, spillen en werktuigen noemt men het drijfwerk of gaande werk. Dit werk is het hart van de windmolen en geeft dit monument zijn bijzondere waarde.
(Bron: Frans Tullemans)