Standerdmolens in Noord-Brabant

Plaats Status Naam molen Adres
Asten monument Oostenwind Molenweg 23
Bakel monument St Willibrordus Achter de molen
Bergeijk monument (naamloos) Ekkerstraat 4
Boekel monument (naamloos) Julianastraat 3
Geffen monument De Vlijt Groenstraat 20
Geffen monument Zeldenrust Elzendreef
Heusden Nr. 3 Nabij Scheepswerf
Mierlo monument (naamloos) Dorpstraat 147
Moergestel monument (naamloos) Schoolstraat 65
Nistelrode monument Windlust Molenerf 1
Oploo monument De Korenbloem Vloetweg 1
Roosendaal monument De Hoop Willem Elsschotlaan
Rosmalen monument (naamloos) Molenstraat 17
Someren monument Den Evert Einhoutsestraat 8
Sprang-Capelle monument Dye Spracke Oudestraat 84
Uden monument Molen van Jetten Standerd 8
Volkel De Neije Kreiter Brabantstraat 20
Wanroij monument Hamse Molen / De Ster Molenstraat 23
Zundert monument De Akkermolen Akkermolenweg 13

Standerdmolen

De standerdmolen of standaardmolen, in West- en Oost-Vlaanderen staakmolen genoemd en in Limburg kas(t)molen is het oudste houten windmolentype. De naam is gebaseerd op de kast van de molen op een standerd of staak, die op een rechtopstaande, ongeveer 60–80 cm dikke, stam zit. De kast rust op de bovenkant van de standerd op een stormpen. Een tweede steunpunt voor de kast om de standerd is de zetel halverwege de standerd. Het midden van de kast zit niet op de standerd, maar meer naar achteren ter compensatie van het gewicht van het wiekenkruis. Hierdoor is de molen afhankelijk van de hoeveelheid in de kast opgeslagen maalgoed min of meer in evenwicht. Uit de standerdmolen is de wipmolen ontstaan. Aan de vorm van het dak, de hoogte van de voet, de vorm van de trap, de lengte/breedte verhouding van de kast en het afdak boven het luiwerk kan men zien in welke streek de molen staat. Het gevlucht wordt op de wind gekruid met behulp van de staart. Soms staat vermeld dat deze tevens dienst doet als tegenwicht voor het wiekenkruis. In de praktijk zal dit in lichte mate wel het geval zijn, maar dit is geenszins de functie van de staart en daarvoor is de staart ook niet aan de molen bevestigd. Bij het oudere standerdmolentype lopen de trapbomen door tot aan de stijlen van de kast en wordt de trap naar boven toe steeds breder. Bij het jongere type lopen de trapbomen parallel en zitten aan weerszijden van de trap schoren, die aan het balkon vastzitten. Aan het eind van de staart zit de kruibank met het kruirad. De draaiende wieken worden gestopt met de vang (rem), die zowel van buiten als binnen in de molen bediend kan worden. In de molenkast, die meestal uit twee verdiepingen bestaat, zitten de complete aandrijving en de maalstenen, vroeger één koppel en vanaf de zeventiende eeuw meestal twee koppels, een voormolen en achtermolen. De voormolen ligt boven de standerd en de achtermolen tussen het wiekenkruis en het bovenwiel. Er zijn enkele standerdmolens met drie maalkoppels. Er is zelfs een standerdmolen met vier maalkoppels, de standerdmolen in Moergestel. Het achterste maalkoppel (achtermolen) ligt op een verhoging. De ruimte onder dit maalkoppel wordt de hel genoemd. Hierin zit het paard voor dit maalkoppel en van hieruit kan men op de burriebalken en bij de zetel komen voor het smeren van de zetel. De kast draait om een zware spil of standerd die tot beneden doorloopt. De stormpen, die op de top van de standerd zit, behoedt de kast van afschuiven. Als het goed is rust de kast met zijn gewicht op de standerd en slechts een klein beetje op de zetel (90% – 10% of 80%-20%). Soms zit er om de stormpen een ijzeren muts met in de steenbalk een ijzeren bekleding, waardoor de kast van de molen lichter draait en beter gezekerd is tegen afschuiven.

De standerd rust op acht steekbanden of standvinken (schuine balken), waarbij de buitensteekbanden tegen de zetel en de binnensteekbanden tegen de standerd vlak onder de zetel vastzitten en van onderen met een pengat- en zwaluwstaartverbindingen op de twee kruisplaten. De kruisplaten rusten op de zonneblokken die op de stenenteerlingen liggen. Er zijn twee hoge en twee lage teerlingen, die in de richting van de windstreken staan. De twee hoogteerlingen staan noord-zuid.

De molenstenen zitten in de maalkuip, waarbij de onderste steen (de ligger) vast zit en de bovenste (de loper) in hoogte verstelbaar is. Om het verstellen te vergemakkelijken is er later vaak een regulateur in gekomen, die met middelpuntvliedende kracht door middel van gewichten werkt. Het kammenluiwerk wordt via het varkenswiel door het bovenwiel aangedreven. Ook is er een gaffelwiel aanwezig voor het met de hand opluien. Men spreekt van een gesloten, half gesloten of open standerdmolen, afhankelijk van het feit of de voet (onderbouw), het gedeelte onder de zetel, geheel gesloten, half gesloten dan wel open is. Door de beperkte ruimte in de houten kast had dit type molen maar een beperkte productiecapaciteit. Vanaf de 18e eeuw werden veel standerdmolens afgebroken en vervangen door grotere en vaak hoger gebouwde molens. Deze laatsten waren minder onderhoudsgevoelig en hadden ruimte voor meerdere koppels maalstenen en meer capaciteit voor opslag.